Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ik heb een duivenpotenprobleem.
Of nee wacht, dat is niet waar. Ik heb geen duivenpotenprobleem. Ik heb een duiventenenprobleem. Dat is correcter.

Ik ben dan wel van oorsprong een boerenbuitenmeisje, maar eigenlijk ben ik een stadsmens. Zet mij op een vierkante kilometer met een Kruidvat, een cinema, een H&M of drie, tien schoenenwinkels en minstens acht terrasjes, en ik ben content.

Tot mijn achttiende leverde dat geen enkel probleem op. Toen woonde ik namelijk bij een provinciestad waar alle duiven normale tenen hadden. Had ik toen geweten wat een luxe dat is…

Toen ging ik studeren, en kwam ik in een andere stad terecht. Ook met Kruidvat, H&M, schoenen, etcetera, dus op dat gebied geen enkel probleem. Tot ik de duiven beter bekeek!

(Oh ja, voor wie het niet weet: ik ben nogal een dierenvriend, en van dierenleed word ik misselijk.)
Al jaren vraag ik me af waaraan het ligt. Zijn het de studenten? Gebruikt men er martelmethoden om vogels van de daken te houden? Opereert er een bende die het op duivenvoeten gemunt heeft?
Het klinkt allemaal even onlogisch, maar het is een feit dat 70% van de duiven die ik in het stadscentrum tegenkom, gemangelde tenen hebben. Of te weinig tenen. Verdwenen tenen. Geen tenen. Omgebogen tenen. Halve tenen. Gewonde tenen. Auw. Auw. Auw.

Ik woon nog altijd in mijn studeerstad. Het is hier goed, met twee Kruidvaten, twee H&M’s, meer schoenenwinkels dan mijn budget aankan, twee cinema’s en ontelbare terrasjes. Maar ik kan de duiven hier niet in de ogen kijken zonder triestig te worden. Want ze hebben bijna allemaal pijne tenen.


Voedingsadvies

05jun13

Aan degene van mijn huisgenoten die steeds maar muizen blijft opeten en weer uitbraken:

Ik denk dat je maag je iets probeert te vertellen…


Ik hou het meest van hem als hij op mijn schoot klimt, zijn kop tegen mijn buik aandrukt en spint: “Aai mij. Nu.”
Ik hou het meest van hem als hij in het gras gelegen heeft en naar lente ruikt.
Ik hou het meest van hem als hij met zijn ondeugende blik de wereld inkijkt van op de trap in de tuin.
Ik hou het meest van hem als hij zich in zijn slaap uitstrekt tot hij anderhalve zitplaats in de sofa in beslag neemt.
Ik hou het meest van hem als hij zijn pootjes op de rand van het bad zet om te kijken of ik nog niet klaar ben met kruiswoordraadselen.
Ik hou het meest van hem als hij loopt te mopperen.

Ik hou het meest van haar als ze om 6u33 bovenop me komt zitten om te controleren of ik al wakker ben.
Ik hou het meest van haar als ze met haar kontje wiebelt vlak voor ze een vlieg bespringt.
Ik hou het meest van haar als ze door het huis rent van puur enthousiasme, en gewoon omdat het waait.
Ik hou het meest van haar als ze op mijn schoot ligt te brommen in haar slaap.
Ik hou het meest van haar als ze haar witte teentjes spreidt om haar achterpoot te wassen.
Ik hou het meest van haar als haar neus fronst bij het geeuwen.

Ik hou het meest van hem. Ik hou het meest van haar.


Het spijt me ten zeerste, dames,
Ik heb ons chauffeursimago vandaag beklad.

(Ja, heren, u mag grijnzen. Ik heb het verdiend.)

Ik rijd met een Cambio. Dat is (voor de niet-autokenners) een autodeelsysteem, waarbij  je betaalt om af en toe een auto te mogen gebruiken. Grote voordelen:
-je hoeft zelf niet naar de carwash
-je hoeft zelf niet te stofzuigen
-geen verzekeringstoestanden en taksen
-je hoeft geen auto te kopen
-het is betrouwbaarder dan de NMBS

In elk geval: ik rijd dus maar een paar keer per maand met de auto.

Nu heeft Cambio een hoffelijkheidsregel die bepaalt dat je de auto terug inlevert met minstens één derde brandstof in de benzinetank. Wat superhandig is als je geen grote afstanden rijdt, want dan hoef je dus ook nog eens bijna nooit te tanken. Maar vandaag moest ik wel tanken, als ik me aan de regel wilde houden. En vermits ik me graag aan regels houd, ging ik dus op zoek naar een tankstation.

Het is niet dat ik nog nooit getankt heb. Maar als je zelf een auto hebt, weet je waar het hendeltje zit om het tankklepje open te doen, aan welke kant het gat zit, en dat soort dingen. Met zo’n Cambio-auto neem je gewoon nooit de moeite om op die dingen te letten. Je stapt in, en je rijdt weg.

Enfin, ik zou dus gaan tanken. Ik had onderweg al in mijn zijspiegel ontdekt dat er aan mijn kant van de wagen geen klepje zat, dus reed ik gezwind een benzinestation binnen met de rechterkant langs de pomp. Ik stapte uit en ontdekte, inderdaad, halleluja, het gat aan de rechterkant van de wagen. Ik was behoorlijk trots op mijn deductievermogen.

Vanaf dat moment ging het bergafwaarts. (Dames, dit lijkt me een goed moment om te stoppen met lezen. Het wordt niet mooi.)

In het kort: ik vond het knopje om het benzineklepje open te doen écht niet. De mevrouw van het tankstation is van achter haar kassa moeten komen. Om mij te vertellen dat ik waarschijnlijk gewoon tegen het klepje moest duwen. Schaamte. Gelukkig was het een vrouw.

Ik wist dat er sprake was van een Cambio-tankkaart. (Even tussen haakjes: ik heb geen bedrijfswagen, en dus ook geen tankkaart. Maar hoe moeilijk kan het zijn om een tankkaart te gebruiken? Duizenden zijn mij voorgegaan…) En ik vond die tankkaart! Mijn ego begon zich te herstellen van het klepjesincidentje.
De benzinestationmevrouw had duidelijk minder vertrouwen in de situatie, en bleef in mijn buurt. Eigenlijk vergezelde ze mij en “mijn” tankkaart naar de betaalautomaat. Op dat moment stopten er twee wagens, waaruit mannelijke chauffeurs stapten. Natuurlijk. Een afgang is niet compleet zonder een beetje publiek.
Bon. Ik stak die tankkaart in de automaat. De benzinemevrouw las mij letterlijk de instructies voor die het toestel gaf. Ze had natuurlijk door wat voor vlees ze in de kuip had, maar bleef vriendelijk glimlachen toen ik het toestel/haar antwoordde: “De code?! Wat voor code?”

Waarom heeft niemand mij ooit gezegd dat er een code bij een tankkaart hoort? Waarom leer je dat soort dingen niet op school, verdorie? Ik moest dus halsoverkop op zoek naar een code, terwijl die twee mannen naar elkaar stonden te gniffelen. Ik zocht en vond een code, en kwam, het schaamrood op mijn kaken, ermee aangerend op het moment dat de betaalautomaat een alarm gaf om aan te geven dat ik te lang had gewacht om mijn code in te geven. Op het moment dat de mevrouw mijn tankkaart uit de gleuf trok en de ene heer met een knikje aangaf dat hij best eerst mocht tanken, bleef er van mijn ego niet meer veel over.

De man tankte natuurlijk foutloos, en dan mocht ik weer. Jeuj. Kaart er weer in. Code ingevoerd. Code geaccepteerd. Jihaaa!
Maar. Te vroeg gejuicht. “Kilometerstand?! Waarom moet dat ding mijn kilometerstand kennen?!” Welke zot kent de kilometerstand van zijn wagen vanbuiten? Lang verhaal kort: de tweede man heeft getankt terwijl ik pen en papier zocht, de code (van pure verbazing over die kilometerstand vergeten) en de kilometerstand van mijn leenauto noteerde en naging of het ding een voorkeur had voor diesel of benzine.

Maar het wegrijden ging prima.


U weet het, of u weet het niet, maar in dat geval weet u het bij deze: ik ben single. Al een poosje nu, maar de vorige keer dat ik single was, is al erg lang geleden, dus eraan wennen kost me nogal wat tijd.

Facebook is sowieso een communicatiekanaal waarop mensen zich van hun beste kant laten zien. Uitgebreid beschrijven waar ze op vakantie zijn geweest, niet waar ze hun ondergoed kopen. Foto’s posten van het uitgaan, niet van de dag erna, dat soort dingen. Je coole kant tonen en de andere kant… Welke andere kant?
Heel menselijk, dat filteren van informatie. Ik merk alleen dat de gaatjes van die filter verkleinen als je single wordt.

(Oh ja, nog even dit. Ik schrijf dit stukje in de je-vorm. Niet omdat ik het over u heb, maar omdat ik veralgemeen. Totaal onterecht en veel te kort door de bocht, natuurlijk. Maar ik doe het lekker toch. Omdat ik niet graag toegeef dat dit over mezelf gaat. Ik ben namelijk cool en ongenaakbaar en altijd goedgezind.)

Er zitten fases in het single-leven na een lange relatie. In eerste instantie ben je er rotsvast van overtuigd dat je nooit meer een relatie wil. Je gaat de rest van je leven alleen trotseren, en als je die vervelende rouwfase eenmaal voorbij bent, ga je beginnen trainen voor de marathon en serieus werk maken van die promotie. Maar eerst nog een stukje chocolade…
In die eerste fase fungeert Facebook als een soort geruststeller van vrienden en kennissen. Je post een vrolijke uitspraak op dat ene moment in de week dat je je enigszins vrolijk voelt. Waarmee je natuurlijk niet wilt zeggen hoe content je bent met je nieuwe laarzen, maar dat er wel meer dan een relatiebreuk nodig is om jou klein te krijgen. Waardoor je vrienden meteen weten dat je nog leeft, ook al reageer je niet op hun e-mails. Handig. En je krijgt een instant-egoboost, want het staat zwart op wit: alles gaat goed met je.

Die fase van bovendien-is-de-liefde-overschat gaat, willen of niet, voorbij. Op een dag betrap je jezelf op de gedachte dat je woning te groot is voor jezelf en twee poezen, en kom je, uiteraard volkomen per ongeluk, op een datingsite terecht. Heel misschien wil je de liefde toch nog eens een kans geven, ooit.
Niet dat je potentiële partner zich onder je Facebookvrienden bevindt, maar iets posten op zaterdagavond lijkt ineens toch niet meer zo’n goed idee. Dan word je namelijk verondersteld op stap te zijn, en niet in pyjama onder een fleece dekentje met een kater op je schoot in de zetel te hangen. Misschien kan het zelfs nuttig zijn om terloops te laten vallen dat je fijne vrienden, een boeiende job en een eigen huis hebt. Zonder daarbij te vermelden dat je nog negenentwintig jaar moet afbetalen vooraleer dat huis effectief van jou is, natuurlijk.

En dan, het overvalt je zelfs een beetje, ontmoet je iemand van wie je denkt: “Hmm. Grappig, slim, én een lekker kontje. Die wil ik misschien wel beter leren kennen.” En je maakt, want zo gaat dat tegenwoordig, de fijne fout van Facebookvriendjes te worden met deze persoon. Niet ‘fout’ in de absolute zin, natuurlijk. Maar handig is anders. Want nu moet je écht wel een goeie indruk maken. Nu moet je ervoor oppassen om zeker niet meer dan twee poezenfilmpjes per week te posten, want een crazy cat person zijn is niet sexy. Drie weekavonden na elkaar online zijn betekent dat je geen hobbies hebt, dus je gaat maar één keer per uur héél eventjes op Facebook kijken om te zien of de betreffende persoon je misschien een bericht gestuurd heeft. En je doet je uiterste best om Gevat uit de hoek te komen. En intelligent. En interessant, en al die andere dingen waarvan je denkt dat je ze moet zijn om aantrekkelijk gevonden te worden. Facebook wordt officieel vermoeiend.

En dan komt er misschien een dag waarop je je realiseert dat je verliefd bent. Uiteraard weet je niet of het gevoel wederzijds is, en je wil het alleen weten als dat wel het geval is. Laten we in elk geval hopen dat Facebook tegen dan uitgestorven is, want dan moet je pas echt tegen jezelf beschermd worden. Het wordt dan namelijk echt belangrijk dat je jezelf profileert als de ideale vrouw, met foto’s die bewijzen dat je geniet van het leven alleen, dat je niemand nodig hebt, en dat iemand zelfs van geluk zou mogen spreken als jij je perfecte single leventje zou opgeven voor een relatie. Maar tegelijk zit je wel met dat vlinder-wolkjes-allesismooi-gevoel dat je de onweerstaanbare drang geeft om melige muziek te posten. Dat verraderlijke gevoel dat je influistert dat het ok is als je de versie van Kings of Leon kiest ‘omdat die eigenlijk best wel ruig klinkt, toch?’
Nee. Laten we hopen dat de Facebookserver platligt als die dag ooit komt.


Mijn collega riep me. Ze had iemand voor me aan de lijn (op haar telefoontoestel) die kloeg dat hij mij niet kon bereiken. Ik stond hem te woord en beloofde dat ik dat technisch euvel zou verhelpen. Nu kan ik zelf helemaal niks met dat telefoonsysteem behalve bellen en doorschakelen, dus belde ik ICT. Dat is altijd een beetje spannend.

Ik: Goeiemiddag, mijn telefoon werk intern wel, maar iemand van buiten zei dat hij mij niet kan bereiken op dit telefoonnummer.

ICT-man: Welk nummer heeft hij gebeld?

Ik: Hij citeerde mijn nummer, maar of hij dat effectief gebeld heeft, kan ik u niet zeggen.

ICT-man: Ah. En hoe heeft hij u gebeld?

(Dat was duidelijk een ICT-vraag, want ik begreep ze niet.)

Ik: Wat bedoelt u?

ICT-man: Als hij u niet kan bereiken, hoe is hij er dan in geslaagd met u te spreken?

(Toch geen ICT-vraag, dus.)

Ik: Hij heeft mijn collega gebeld, en die heeft mij geroepen.

ICT-man: Ah. Dat is goed. (Stilte, waarin ik me begon af te vragen of hij het probleem daarmee als opgelost beschouwde. Gelukkig was dat niet het geval.) En wie was die persoon?

Ik: XX van bureau YY.

ICT-man: Heeft XX van bureau YY wel het juiste nummer gebeld?


Omdat mijn (niet meer zo heel) nieuwe job inhoudt dat ik nauw samenwerk met mensen van vijf verschillende directies, draai ik een paar maanden mee in elk van die diensten. Ik ben vorige week begonnen in directie nummer drie.

Dat is telkens weer aanpassen. Nieuwe plek, nieuwe buren, nieuwe taken, nieuwe gewoonten.

Na een week vergis ik me toch al niet meer van verdieping of bureau. Maar wel van ochtendgroet.

Toen ik in de organisatie toekwam, en dus startte bij directie één, dacht ik gewoon dat de ochtendgroet in deze organisatie het handje was. Ik heb me proberen aan te passen, maar het voelt zo formeel om die vier naaste collega’s elke ochtend een hand te geven, dat ik het opgegeven heb. Zelf ben ik er één van “Goeiemorgen, Jan! Hoe gaat het?”, zonder aanrakingen, dus daarbij heb ik het gehouden. We werken nog altijd goed samen, dus ik denk niet dat ze het me kwalijk nemen.

Dienst twee was makkelijk: daar zijn ze allemaal van “Goeiemorgen, Flora! Hoe gaat het?”, op één oudere heer na. Een handje voor Luc, dus, en al de rest gewoon spontaan.

Maar nu, in dienst drie, zijn we met vijftig. En het zijn zoeners, mijn nieuwe buren.

Ik ben geen zoener. Ik kus mijn vrienden niet, tenzij ze jarig zijn, en dan nog. Dat betekent niet dat ik hen niet graag zie, maar gewoon dat ik geen zoener ben. Ik vind het wel mooi om te zien dat bepaalde mensen zo ongeveer iedereen een klopje geven of een zoen, of zelfs knuffelen, maar bij mij zit dat er niet ingebakken.

Maar nu maak ik dus deel uit van directie drie, heb ik vijftig ochtendkussende collega’s, en ben ik een zoener.


HRM 2.0

19dec12

Ik ben een felle voorstander van het toestaan van huisdieren in rusthuizen en op de werkplek. Volgens mij komt dat het stressniveau van iedereen ten goede. (Behalve misschien van de allergischen onder ons, maar die moeten dan maar samenhokken in wat nu als rokerslokaal fungeert, of een pilletje nemen.)

In Scandinavië bestaat dat al, maar het human resources management in België staat zover nog niet, dus stel ik me tevreden met af en toe eens naar huis bellen:

(Het duurt gemiddeld 4 beltonen vooraleer hij opneemt.)
Spike: Mraaauw?
Ik: Dag mijn lieve kleine jongen.
Spike: Rr.
Ik: Hoe is je dag?
Spike: Raaaauw.
Ik: Moppie toch, zo’n ellende. Kan ik iets voor je doen?
Spike: Prrrrrrrr.
Ik: Goed idee. Over een paar uurtjes ben ik thuis, en dan beginnen we er meteen aan. Kies al maar een plek.
Spike: Mrr.
Ik: Tot seffies, mop.
Spike: Arrr.


De één lijkt het feit dat ze geen zeventien meer is compleet te negeren. Ze draagt t-shirts van the Care Bears, een jeans en gympen. Het speldje in haar haar heeft dezelfde kleur fuchsia als haar broeksriem. Ze droomt van een Fiat 500 in parelmoerwit en een eigen opvangcentrum voor verwaarloosde dieren.

En daarnaast, in vijf centimeter hoge hakken, bruine rok en een blazer, die ander. De madam voor wie alles perfect moet verlopen, vooral op het werk. Die zich opjaagt als mensen te laat komen en zelf elke deadline haalt, al moet ze er haar slaap voor laten. Ze fantaseert over een Jaguar in dezelfde kleur als haar oogschaduw, en dan de job van haar baas.

Ze zijn verwant, die twee, want allebei zijn ze mij.


Mezelf niet

02okt12

Er is iets mis met mij. Iets anders dan al de dingen waarvan ik al op de hoogte was (zie 350 vorige blogposts), bedoel ik. Niet noodzakelijks iets levensbedreigends, maar wel iets raars. “Ik ben mezelf niet”, geloof ik dat men dan zegt. Ik geef een paar voorbeelden, en dan mag u de diagnose stellen. Deal?

  • Ik overdacht daarnet een gesprek dat ik vandaag met een collega voerde. In mijn hoofd. Intern. En ineens zei ik (als reactie op een argument van mijn collega) hardop: “Ja, maar” Twee woordjes maar, vooraleer ik mezelf betrapte en zweeg, maar toch. Als ik in mijn eentje ben, spreek ik dus niet eens tegen mezelf, maar tegen anderen!
  • Ik denk dingen als: ‘Moet je eigenlijk eerst stofvegen of eerst stofzuigen?’ en dan denk ik daar een poosje serieus over na. Om tot de conclusie te komen dat ik het niet weet, maar dat terzijde. Ik denk na over poetsen. Dat gaat niet de goeie kant op.
  • Ik heb vandaag naar mijn vorige werkgever gebeld om te vragen of die 1000 euro die ze mij gestort hebben, geen vergissing is.

En nu u.




Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.