Zo’n soort van beer
uit: Tao van Poeh, Benjamin Hoff
We [B. Hoff en Winnie de Poeh] zaten te praten over de ‘Ode an die Freude’, de koorfinale van Beethovens negende symfonie.
‘Da’s een van mijn lievelingsstukken,’ zei Poeh.
‘Van mij ook,’ zei ik.
‘En wat ik het allermooiste vind,’ zei Poeh, ‘is als ze gaan zingen van:
‘Hoera voor ‘t leven van een beer!’
‘Maar - ‘
‘Hoera voor een Beer!’
‘Hoera voor een Poeh!’
‘Maar ze zingen niet van - ‘
‘Hoera voor ‘t leven van een Beer!’
‘Dat vind ik het allermooiste,’ voegde hij er aan toe.
‘Maar ze zingen helemaal niet “Hoera voor ‘t leven van een Beer” in “Ode an die Freude”,’ zei ik.
‘Niet?’
‘Nee, heus niet.’
‘Waarom niet?’
‘Nou, omdat ze er niet aan gedacht hebben, lijkt me.’
‘Wat hebben ze?’
‘Noch Ludwig van Beethoven, noch de man die de woorden van “Ode an die Freude” heeft geschreven, hebben er iets ingezet over Beren.’
‘O, dan zal ik wel in de war zijn met Ludwig van Beerhoven.’
‘Poeh, er bestaat geen Ludwig van Beerhoven. Dat liedje heb je zelf gemaakt.’
‘Heus?’
‘Heus waar.’
‘O, dus daar ken ik het van,’ zei hij.
Filed under: Andermans woorden |

Of zoals Aiko hem aanspreekt : Poo de beer. Of doet dat niet ter zake ?
Wat kinderen zeggen doet er altijd toe.